Jan Altink (1885–1971)

1933 Biographie
Olie
Gouche
Overig
De Ploeg

Toen het expressionisme Groningen bereikt had was Jan Altink al ruim de dertig gepasseerd en met Jan Jordens en Hendrik Werkman een van de oudere leden van De Ploeg. Hij werkte tot dan toe Altink voornamelijk in een meer naturalistisch-impressionistische wijze. Onder invloed van het expressionistisch geestdrift veranderden ook zijn techniek en palet; olieverf werd vermengd met was en benzine, de penseelvoering werd vrijer en de kleuren werden sprekender. Anders dan de meer gedreven en avontuurlijk ingestelde Wiegers, die in sommige gevallen wat kleurstelling en schriftuur betreft de heftigheid van de Duitsers benaderde, bleef het werk van Altink ingetogen van aard. Zijn in zich zelf gekeerde karakter leent zich niet voor het bruisende, onstuimige expressionisme. Bovendien weerhoudt Altinks eerbied vóór, en emotionele verbondenheid mét de te schilderen onderwerpen hem ervan zich te mengen in al te subjectieve abstraheringen en kleurfestijnen.
Met name Altink bereikte in zijn 'plein-air'-schilderingen prachtige resultaten. Op een treffende wijze wist hij de karakteristieken van het Groninger landschap weer te geven. Om de suggestieve kracht van zijn landschappen optimaal te laten zijn, ontwikkelde Altink een aantal beeldende 'kunstgrepen' die vooral in de schilderijen gemaakt rond 1925, wat kwaliteit en produktie betreft een topjaar, goed tot hun recht kwamen. Altink plaatste de horizon in zijn landschappen bij voorkeur hoog, waardoor hij nadruk kon leggen op datgene wat zich onder de horizon bevond; het Groningerland waarmee de schilder zo'n enorme verbondenheid voelde. Het verbeelden van een hoge horizon werd wel gedaan in de Nederlandse landschapsschilderkunst, maar werd sinds Ruysdael en tijdgenoten vrij uitzonderlijk. Bij Altink werd het een uiterst functioneel onderdeel van zijn artistiek repertoire. In het schilderij 'Koopvrouw op landweg', dat hij 1925 schilderde, is dit kenmerk heel goed terug te vinden.
De openheid en uitgestrektheid van het Groninger landschap met haar vaak eindeloze rechte wegen werd in de schilderijen 'Fietsers' en 'Na het bezoek' gesuggereerd door een van voor- tot achtergrond verlopende weg, die in verhevigd perspectief was weergegeven. In beide gevallen was daarbij sprake van een beweging van voor naar achter. De mensen verplaatsten zich van de beschouwer af. De perspectivistische werking en suggestie van beweging werden versterkt waar Altink gebruik maakte van zogenaamde staande formaten. Bij het bekijken van een landschap valt de horizon altijd samen met de ooghoogte (het standpunt van de kijker). Dit verondersteld in Altinks 'Fietsers' en 'Na het bezoek' dat we ons hoger bevinden dan de fietsende figuren en de twee turende vrouwen. We kijken dus eigenlijk neer op de voorgrond van het schilderij, die zich welhaast onder ons moet bevinden, terwijl we de einder aanschouwen vanuit een frontaal aanzicht. Via de voorgrond van de weg kijkt de beschouwer als het ware op, waarbij de weg als hellend wordt ervaren, en wordt zijn/haar blik als vanzelf naar de einder geleid. Deze kijkbeweging werd versterkt doordat Altink gebruik maakte van zogenaamde rugfiguren, die fungeerden als tussenfiguur. In het schilderij 'Fietsers', waarin Altink alles gebruikte om het perspectief te accentueren, bewegen zowel de fietsers op de voorgrond als het schip op de middengrond zich naar de einder. In 'Na het bezoek' staan de twee vrouwen stil en verplaatst de koets op de middengrond zich. In het eerste schilderij wordt derhalve vooral de suggestie gewekt van zich voortbewegen, zich verplaatsen, en in het andere schilderij van zich verwijderen.
Zowel uit zijn portretten als uit zijn landschappen bleek een grote gevoeligheid voor visuele indrukken. Altinks waarnemingen waren doorgaans zorgvuldig en raak, waarbij hij zich beperkte tot het belangerijkste; details en bijzaken werden zoveel mogelijk weggelaten. In de periode dat Altink invloeden onderging van het expressionisme bracht ook hij altijd zijn kleuren ongemengd aan, maar toch bleven zij gebonden aan de waarneming. De kleuren en kleurschakeringen werden wel versterkt om de sensatie te verhevigen. Toch vinden ze altijd hun oorsprong in de waarneming. In Altinks werk was hooguit sprake van een persoonlijke vertaling van visuele indrukken.
from

 

De Ploeg

De Groninger kunstenaars vereniging De Ploeg werd op 14 juni 1918 opgericht. Initiatiefnemers waren Jan Wiegers en Willem Reinders, samen met Jan Altink, en George Martens. Jan Altink bedacht de naam: "Omdat er in Groningen niet zoveel te doen was op kunstgebied dacht ik aan ontginnen en dus ook aan ploegen. Vandaar de naam 'De Ploeg'".
In de kunstwereld van Groningen waren belangrijke veranderingen in de beeldende kunst vanaf ca. 1906 nauwelijks tot uiting gekomen. Met De Ploeg zou daar verandering in komen.

Altink, Dijkstra, Wiegers, Streurman en Martens 1919

Eerste leden van De Ploeg waaronder Altink, Dijkstra, Wiegers, Streurman en Martens, 1919

De hoogtepunten van deze kunstenaarsgroep liggen tussen de beide wereldoorlogen in, met name tussen de jaren 1922 tot 1928. In september is er een tentoonstelling van Jan Wiegers.
Wiegers, die in 1920 wegens gezondheidsredenen ging kuren in Davos (Zwitserland), kwam daar in contact met Ernst Ludwig Kirchner. Wiegers voelde zich sterk aangetrokken tot de schilderstijl van Kircher. Hij leerde het gebruik van de kleurenleer van Goethe door zijn vriendschap met Kirchner. Ze pasten goed bij de moderne, expressionistische manier van schilderen van De Ploeg.
De kunstenaars gebruikten de complementaire kleuren, de karakteristieke en harmonische combinaties. Daarbij worden de kleuren zo fel mogelijk direct naast elkaar gezet. Ze roepen sterke (complementaire) nabeelden op, die dus niet meer geschilderd hoeven te worden.


'Het portret van Jan Wiegers' geschilderd door Johan Dijkstra.

Wiegers, Jan

(b Kommerzijl, 31 July 1893; d Amsterdam, 30 Nov 1959). Dutch painter, sculptor and printmaker. He trained as a sculptor with Dirk de Vries Lam (1896–1937) at the Academie Minerva in Groningen, and he was taught painting at the Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in The Hague by Frederik Jansen (1856–1928) and at the Academie van Beeldende Kunsten in Rotterdam by the Belgian A. H. R. Van Maasdijk (1856–1931). In 1912 he visited the Sonderbund Exhibition in Cologne. With introductions from Van Maasdijk he travelled as ‘churchpainter’ through Germany and Switzerland. In addition to painting and sculpture he produced wood-carvings and church furniture. In June 1918 he became one of the co-founders of De Ploeg, a society that aimed to bring Groningen artists together. During World War II the society was closed because the work of its members was considered degenerate. At this time Wiegers’s work, much of which depicted landscapes and interiors, was influenced by the Bergen school and artists such as Henri Le Fauconnier and Leo Gestel. For reasons of health he stayed in Davos, Switzerland (1920–21), where he had close contacts with Ernst Ludwig Kirchner. He introduced Kirchner’s Expressionism to his Dutch painter friends Jan Altink (1885–1971) and Johan Dijkstra (1896–1978), and his own paintings, drawings and woodcuts of this period show his influence. He also adopted Kirchner’s painting technique of dissolving the oils in petrol with beeswax and then applying them on to an unprimed, absorbent coarse canvas (e.g. Landscape with Red Trees, c. 1924; Amsterdam, Stedel. Mus.). This gives his paintings a very matt appearance. Wiegers’s etchings include a portrait of Kirchner (1925) and among his sculptures is a bust of Hendrik Nicolaas Werkman (1926; both Groningen, Groninger Mus.). In 1934 he moved to Amsterdam, where he co-founded the magazine De kroniek van kunst en kultuur.

BIBLIOGRAPHY

Jan Wiegers (exh. cat., Amsterdam, Stedel. Mus., 1960--61)
A. Venema: De Ploeg, 1918--1930 (Baarn, 1978)


Alkema, Wobbe (Hendrik)

(b Borger, 11 Feb 1900; d Drachten, 30 Jan 1984).

Dutch painter and printmaker. He trained between 1919 and 1923 as a cabinetmaker, taking evening classes in furniture drawing and design at the Academie Minerva in Groningen. He also took private drawing lessons with the Dutch sculptor Willem Valk (1898--1977). Around 1920 he started to make drawings and paintings in an abstracted, geometric style, similar to that of Bart van der Leck (e.g. En passant, 1921--2; priv. col., see 1984 exh. cat., p. 17). From 1924 he worked in the architectural firm of Van Lingen in Groningen, and he continued to design furniture until the 1930s. He joined De Ploeg and started to mix with Dutch artists such as Jan Wiegers, Jan Altink (1885--1971) and Hendrik Nicolaas Werkman. He produced geometric abstract works such as Composition with Yellow Circles (1924; Groningen, Groninger Mus.). From c. 1924 he began to associate with the Belgian Constructivists involved in the magazine Het Overzicht and later De Driehoek, including Jozef Peeters and Paul van Ostaijen (1896--1928). In 1926 some of his prints were published in the magazines The Next Call and De Driehoek. During this period his style was a form of geometric abstraction, and his prints of the 1930s show the influence of Kandinsky (e.g. With Trapezium, 1931; see 1984 exh. cat., p. 37). In addition to paintings and drawings he also produced watercolours, woodcuts and linocuts and worked on the restoration of medieval churches. After a visit to Germany in 1935 Alkema felt unable to continue painting until 1947, but when he resumed he adopted some surrealist elements (e.g. Four Sounds, 1950; priv. col., see 1984 exh. cat., p. 41); in the late 1950s he returned to geometric compositions determined by grids, as in Composition 19 (1959; priv. col., see 1984 exh. cat., p. 45). He continued to experiment with graphic and printmaking techniques, combining them with delicate photographs of plants and insects for his series 149 Slides (1973--8; see 1984 exh. cat., pp. 50--53). (from)

BIBLIOGRAPHY

H. W. van Os: Wobbe Alkema en de Groninger Schilderkunst (Groningen, 1978)
Het vroege werk van Wobbe Alkema (exh. cat. by A. Petersen; Amsterdam, Stedel. Mus.; The Hague, Gemeentemus.; 1978)
Wobbe Alkema (exh. cat. by H. W. van Os, A. Taverne and J. Falize, Groningen, Groninger Mus., 1984)


TOP