Biografie
Jan Altink (1885-1971)
Tussen 1900 en 1907 studeerde Jan Altink aan Academie Minerva in Groningen. Hij was een buitengewoon getalenteerde leerling en deed zowel cursussen vlakversiering als Levend Model. In 1915 begon hij een reclamebureau in Groningen, dat onder andere de reclameopdrachten voor de Vroom en Dreesman verzorgde.
Jan Altink was een van de belangrijkste oprichters van De Ploeg. In 1921 werd hij gekozen als secretaris. In De Ploeg uitgaven worden regelmatig tekeningen en en houtsnedes opgenomen. Vanaf 1925 geeft Altink ook les op de Avondschool voor Lager Nijverheidsonderwijs en de MTS. Regelmatig maakt hij deel uit van de jury voor De Ploeg tentoonstellingen.
Kenmerkend voor het werk van Altink is zijn grote voorliefde voor het buiten werken. Voor De Ploeg was hij de belangrijkste landschapsschilder. Altink had een scherpe blik en zijn schilderijen hebben een spontaan karakter. Hij was een trefzekere tekenaar, die niet meer vastlegde dan nodig was. Deze houding had hij van zijn leermeester F.J. Bach geleerd, die zijn leerlingen naar buiten stuurde en hun leerde kijken en noteren.
Vanaf 1924 wordt onder invloed van Wiegers zijn werk meer expressionistisch. Zijn expressionistische periode duurde tot ongeveer 1927 en hij produceerde in deze tijd ongeveer tachtig schilderijen. Het waren vooral stillevens, portretten en landschappen.
Altink en De Ploeg
Vanaf het begin is duidelijk dat de vruchtbare Groningse aarde in de loop van de jaren twintig een ander soort expressionisme baart dan het Duitse expressionisme waar het uit voortkomt. Voor kunstenaars als Kirchner bepalen de mens en zijn psyche de voorstelling van het begin tot het eind. Vreemde vormen en overdreven kleuren zijn het gevolg van de artistieke waarneming. De voorstellingswereld van de Groningse kunstenaars van 'De Ploeg' is daartegenover kalm en zelfverzekerd en komt voort uit een sterke verbondenheid met het Groningse land. De kleuren en vormen zijn een poging de essentie van het land te vangen, meer dan de neerslag van een extatische beleving van dat landschap. Zelf noemen ze het 'oerprovincialisme'. Altink is de milde lyricus van het gezelschap. Bij hem overheerst de ruimtelijkheid van het glooiende land.